|

WIE HEBBEN DE GRAFELIJKE TORENMOLEN ALLEMAAL
BEMALEN?
Het zijn er velen geweest, maar voor 1658 is er niet veel van
bekend. Maar als eerste kunt u de oudste archiefteksten lezen over
de molen. De toen gebruikte woorden hebben we in de tekst laten
staan.
"Item die molen ten Berge
int do Zedem IIIIc int VIII - d.i. 408 -malder", 2/3 rogge,
1/3 gerst", zo luidt een post in de
boekhouding van de ,,bouwmeester" van het Huis Bergh in het
boekjaar lopend van Sint Maarten 1441 - d.i. 11 nov. - tot
dezelfde feestdag in het daarop volgende jaar.
De molens te 's Heerenberg en Zeddam behoorden
dus tot de particuliere bezittingen van de Heren - sinds 1486
Graven van (den) Bergh. Namens hen werden ze verpacht, zoals uit
nadere gegevens blijkt eens in de drie jaar bij publieke
verpachting, aan de meest biedende. Zij waren de houders van bet
wind- en maalrecht in het gebied van 's Heerenberg en Zeddam,
d.w.z. dat alleen zij gerechtigd waren molens te vestigen en
te houden. Alle ingezetenen van deze beide plaatsen en hun
onderhorige buurschappen - t.w. Stokkum, Lengel, Azewijn, Braamt,
Kilder en Wijnbergen - waren verplicht in die molen(s) hun
graan te laten malen. Hoe oud de beide molens in 1441 al
waren is niet na te gaan, omdat vroegere gegevens hieromtrent niet
bewaard zijn gebleven.
De pacht werd in natura vastgesteld, meestal 2/3 rogge en 1/3
gerst, soms ook enige mudden weit of tarwe. Zo ook in 1442 en 1443
toen de pacht gesteld was op 187 malder rogge, 123
malder gerst en nog 10 malder weit. Weit gold als dubbel zo veel
waard als rogge, zodat in dit jaar een nog hogere pacht was
geboden als drie jaar eerder. Die hoogte is nadien nooit meer
bereikt. Rogge werd verreweg bet meest aangeboden. Het was een
graansoort, die op minder zware grond en met lichtere bemesting
tot een betere opbrengst leidde dan tarwe.
Bovendien werd roggebrood om z'n hoge calorische waarde het meest
gegeten. Gerst werd eveneens veel verbouwd, doch kwam minder op de
molen, omdat het meeste daarvan voor het brouwen van bier, de
dagelijkse drank toen thee en koffie nog onbekend waren, werd
gebruikt.
Er staat echter nog wel iets meer
achtergrondinformatie in de dorre notities van de boekhouding.
Voor "die molenbrant" zo noteert de Berghse boekhouder
was aan pacht 50 malder rogge en 90 malder gerst ontvangen,
"ind nadat die molen ten Berge verbrant was, ontfangen van de
knaep - d.i. knecht - van den molen
to Zedem 21 malder en 2 1/2 schepel rogge en 23 malder
gerst."
"Katryn des mollers wyff" gaf nog
6 malder weit. Van de verplichte 408 malder was dus slechts 184
malder betaald plus nog wat tarwe. De oorzaak daarvan is
duidelijk, doch de mededeling vertelt tegelijk, dat de molen te
Zeddam slechts een nevenbedrijf van die te 's Heerenberg was,
waarop een knecht de zaken verzorgde.
Bij akte van 5 oktober 1451 kende Willem, heer
van (den) Bergh, aan het door hem gestichte Sint Gertrudisgasthuis
in de Kellenstraat te 's Heerenberg een rente toe van één malder
rogge en één malder gerst uit elk van zijn molens te 's
Heerenberg, Zeddam, Didam en Gendringen. Daar zou men uit op
kunnen maken, dat de molen te Zeddam als een volwaardig bedrijf
werd beschouwd. Maar de Berghse rentmeester, Theodorus Peys
noteert in z'n boekhouding van1453 - 1454 omtrent het
Vogelzangsgoed onder Groot-Azewijn: "Dair
leget een kempke totten gude gehorende, dair den Mollentoren t'
Zedem uyt getichgelt is". Pachters van het goed
waren Johan van Raeffeler en Evert Flogell, die dit stukje land
klaarblijkelijk afgestaan hadden aan Johan de Voss. Hij hoefde er
één jaar niets voor te betalen ,"umb
weder to lande to komen" alzo om het weer tot bouwland
om te wroeten, terwijl hij daarna nog vier jaar korting genoot. De
rekening van 1525 - 1526 vermeldt voor de molens te 's Heerenberg
en Zeddam 335 malder aan pacht. Arnt en Zweer Herms moesten in
1540-1541 nog 287 malder leveren. Doch in 1544 - 1545 leest men: ,"Sweder
Moller hefft dat gemaell ten Berge ind to Sedam, sunder kersbarnen
drie jair na den andere duerende jaerlix vur IIc - d.i. 200 -
malder korns, die twee deell - d.i. 2/3 -gueden, klaeren, droegen
rogge dat derde deell guet gerstenmalt." Hij
kreeg dit jaar ook nog 25 % korting, overigens geen ongewoon
verschijnsel, wanneer b.v. een der molens gedurende lange tijd
stil had gelegen, omdat er reparaties aan verricht moesten worden.
Er valt een aanzienlijke daling in pachtwaarde sinds 1441 te
constateren. Natuurlijk moet dit geweten worden aan een minderend
aanbod van koren, dat om te malen werd gebracht. M.a.w. het areaal
aan graanbouw moet zijn afgenomen. Misschien is de
bevolkingsgroei, die in de vijftiende en eerste helft der 16de
eeuw zich voordeed, er debet aan. Het platteland leed aan een
betrekkelijke overbevolking, aangezien met de toen aanwezige
middelen het cultuur-areaal niet uitgebreid, noch de productie
vermeerderd kon worden. Bestaansmogelijkheden buiten de landbouw
waren er nauwelijks, zodat op een gelijkblijvend areaal een
toenemend aantal mensen moest leven. Dit leidde tot steeds verder
gaande deling en splitsing van boerengoederen en landerijen met
vorming van een groot aantal minimale bedrijfjes. Dit kan de
graanbouw, kenmerkend voor grote bedrijven, hebben doen
verminderen, omdat er veel meer grond gebruikt werd ter
voorziening in eigen consumptieve en andere levensbehoeften. Hoe
het zij: de 200 malder van Zweder Molner is toch een dieptepunt.
Hij had de pacht verkregen ,"sunder
kersbarnen", d.w.z. onderhands en niet
bij publieke verpachting. Evenals verkopingen geschiedde dit n.l.
bij een brandende kaars, die gedoofd werd, als er na een slag niet
meer werd geboden. Zijn 25 % korting had ook z'n reden.
Maar nu dan de Molenaars van de Torenmolen. Niet
alle gegevens zijn terug te vinden in het archief, zodat er nog
open plekken zijn in de gegevens, misschien vinden we nog meer in
de toekomst. Van enkele molenaars is bekend waar ze gewoond
hebben, dit staat dan tevens vermeld.
- 1658 Reinder Jansen
- 1676 Rutger ter Laak
- 1676 - 1686 Hermen Thomassen
- 1688 - 1696 Albert Brouwer (bovendorpstraat
11, staat nu fabriek Pas Reform)
- 1696 - 1699 Derck Jansen (bovendorpstraat
11, staat nu fabriek Pas Reform)
- 1699 - 1707 Mathias Plasman (bovendorpstraat
9, staat nu het huis van een tandarts)
- 1708 - 1710 weduwvrouw van Mathias Plasman
(bovendorpstraat 9 staat nu het huis van een tandarts)
- 1711 - 1712 Oswald Limbeek
- 1712 - 1727 Cornelis van Heumen (bovendorpstraat
9 staat nu het huis van een tandarts)
- 1727 - 1743 Wessel Bos
- 1747 Engelbart Dijker (bovendorpstraat
11, staat nu fabriek Pas Reform)
- 1756 Weduwe Planckman
- 1759 Jan Mulders
- 1766 Hendrik Busch
- 1771 Willem van Eik
- 1777 Mathias Polman (bovendorpstraat, nu de pastorie
van Herv. Kerk)
- 1784 Jacob ter Laak
- 1788 - 1817 Jacobus Sloot (bovendorpstraat 12, later
huis Fam. Lanke)
- 1823 - 1856 Gerrit Jan Pierik (bovendorpstraat 7, nu
Brinks en Wijnhuis)
- 1856 - 1890 Mathias Herfkens (bovendorpstraat 7, nu
Brinks en Wijnhuis)
- 1890 - 1928 Herman Gerretschen (benedendorpstraat nu
werkplaats van Gaalen) in 1904 werd Herman Gerretschen eigenaar
van de molen.
- 1929 Dhr. J.H. van Heek kocht de molen zodat het weer
in eigendom kwam van Huis Bergh. v Bernardus Lanke (bovendorpstraat
12) heeft de molen voor een lange periode beheerd, maar niet
als productiemolen de molen bemalen.
- in deze tussen periode zijn er nog een aantal vrijwillig
molenaars geweest, hier voor moeten wij nog een stuk archief
napluizen.
- 1974 - 1976 Ton Esman (uit Aalten)
- 1974 - 1993 Frans Thomassen (Ettemastraat 5)1982-1992
beheerder van molen
- 1976 - 1980 Dick Zweers
- 1976 - 1982 Eric Bosch (uit Zevenaar)
- 1979 - 1982 Frans Limbeek (uit
Keyenborg)
- 1991 - 2006 Hans Roem (Ettemastraat 13)
- 1990 - 1993 D.J. Abelskamp jr. (uit Arnhem)
- 1990 - 1995 D.J. Abelskamp sr., (uit Warnsveld)
jaren verbonden als lid technische commissie bij de molen
- 1993 - 2006 Frans de Bruin (uit Wenum
Wiesem)
- 1998 - heden Jos van Dulmen (Ettemastraat 24 a)
- 1999 - heden Andre
van Dissel (Ettemmastraat 8)
- 2001 - heden Mario van den Berg (Nieuwstr
's-Heerenberg)
- 2005 - heden Wim Baggerman (st. Oswaldusstraat)
|